De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft een aantal vragen beantwoord over de toegestane einddatum van een overbruggingslijfrente.
[Zie ander item
De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft het standpunt KG:070:2023:12 gewijzigd. Het betreft enkele redactionele wijzigingen. Daarnaast is situatie B verduidelijkt. Situatie C is toegevoegd. Situatie C uit de vorige versie van het standpunt is hernoemd naar situatie D. Verder is de beschouwing uitgebreid. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen beoogd.]
Een belastingplichtige heeft bij een verzekeraar een aanspraak op een lijfrente waarvoor na 31 december 2005 geen premies zijn voldaan. De belastingplichtige wendt de aanspraak aan voor een overbruggingslijfrente als bedoeld in artikel 10a.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De belastingplichtige komt met de verzekeraar een einddatum van de termijnen overeen die in het jaar ligt waarin de belastingplichtige de leeftijd van 60 jaar bereikt.
Als een einddatum van de termijnen wordt overeengekomen bij het ingaan van een overbruggingslijfrente, moet op dat moment worden beoordeeld of sprake is van een toegestane einddatum.
Ingevolge artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 (tekst 2005) moeten de termijnen van een overbruggingslijfrente eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt of in het jaar waarin hij een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten. Op grond van artikel 10a.1 Wet IB 2001 geldt deze bepaling nog steeds voor zover sprake is van de aldaar genoemde gevallen. Op grond van de goedkeuring in het besluit van 21 juli 2022, nr. 2022-8234, mag de uitkeringsperiode van de overbruggingslijfrente ook eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
In situatie A en B eindigen de lijfrentetermijnen in het jaar waarin de belastingplichtige een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten. Dat is fiscaal toegestaan.
In situatie C eindigen de lijfrentetermijnen in het jaar waarin de belastingplichtige 60 jaar wordt. De belastingplichtige gaat dan nog geen uitkering op grond van een pensioenregeling genieten en bereikt dan niet de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Het is dus fiscaal niet toegestaan dat de lijfrentetermijnen eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige 60 jaar wordt.
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99