Dit jaar bestaat het pakket Belastingplan naar verwachting uit de volgende twaalf wetsvoorstellen:
1. Wetsvoorstel Belastingplan 2024;
2. Wetsvoorstel Belastingplan BES Eilanden 2024;
3. Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2024;
4. Wetsvoorstel Fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw;
5. Wetsvoorstel Fiscale klimaatmaatregelen elektriciteit en industrie;
6. Wetsvoorstel Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling;
7. Wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling;
8. Wetsvoorstel Fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen;
9. Wetsvoorstel Wet compensatie selectie aan de poort;
10. Wetsvoorstel Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm;
11. Wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024;
12. Wetsvoorstel Wet tijdelijke regeling herzien aangifte Inkomstenbelasting.
Dit wetsvoorstel past de definitie van het fonds voor gemene rekening (fgr) en de regeling voor de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) in de vennootschapsbelasting aan. Met de voorgestelde aanpassingen wordt het gebruik van de regelingen meer in overeenstemming gebracht met de oorspronkelijke doelstelling en wordt onbedoeld gebruik van het fgr en het vbi-regime (voornamelijk door vermogende personen en families) voorkomen. Zoals aangegeven in de Fiscale Beleids- en Uitvoeringsagenda wordt voorgesteld om deze wijzigingen per 1 januari 2025 in werking te laten treden. Dit geeft de praktijk de gelegenheid om op de voorstellen te anticiperen. Er wordt hiertoe per 1 januari 2024 voorzien in overgangsrecht.
Dit wetsvoorstel past de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling (fbi) in de vennootschapsbelasting aan. Als gevolg van dit wetsvoorstel is het vanaf 1 januari 2025 niet langer mogelijk voor een fbi – die subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, maar waarbij de winst wordt belast tegen een tarief van 0% – om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een dergelijk lichaam wordt regulier belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.
In de Kamerbrief van 23 maart jl. en de Fiscale Beleids- en Uitvoeringsagenda heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn voornemen om met Prinsjesdag wetgeving aan te bieden om de problematiek aan te pakken die is ontstaan als gevolg van het toegenomen aantal WOZ- en bpm-zaken dat wordt ingediend door ‘no cure no pay’-gemachtigden. De daardoor toenemende druk op de uitvoering en de rechtspraak maken dat ik mij genoodzaakt voel om dit wetsvoorstel als onderdeel van het pakket Belastingplan in te dienen en te streven naar een inwerkingtreding per 1 januari 2024. Met het wetsvoorstel wordt beoogd – zonder de toegang tot de rechter, en daarmee de effectieve rechtsbescherming voor burgers en bedrijven, te beperken - de financiële prikkel voor ‘no-cure-no-pay’-bedrijven te beperken om procedures te starten en voort te zetten tegen WOZ-beschikkingen, bpm-aangiften en bpm-naheffingsaanslagen met de overwegende reden om proceskostenvergoedingen te verkrijgen. Naar verwachting vermindert deze wetgeving het aantal procedures en ontstaat er meer ruimte voor de behandeling van andere bezwaar- en beroepszaken. Deze ruimte is noodzakelijk om te komen tot een beheersbare werklast bij de Rechtspraak en daarmee ook ruimte te creëren voor de inwerkingtreding van het onderdeel rechtsbescherming bij belastingschulden van de Wet Stroomlijnen.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99