2.2 Aanpassing EW-regeling bij gezamenlijke aankoop eigen woning (pdf, pagina 16)
Met ingang van 1 januari 2022 zijn een aantal wetswijzigingen binnen de eigenwoningregeling in werking getreden op onder andere het terrein van gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning door fiscale partners. De bedoeling hiervan was om onbedoelde renteaftrekbeperkingen te voorkomen. Een van deze wetswijzigingen zag op het inzetten van de aflossingsstand op gezamenlijk niveau tot ten minste het bedrag van het aandeel in de schuld van de partner met de betreffende aflossingsstand. Als gevolg van deze wetswijziging wordt feitelijk op gezamenlijk niveau bezien of de aflossingsstand voldoende is ingezet. Deze wetswijziging ziet alleen op de situatie waarin eerst de woning van de betreffende partner is verkocht en vervolgens gezamenlijk een woning wordt aangekocht. Het kan echter ook voorkomen dat eerst gezamenlijk een woning wordt aangekocht en vervolgens pas de woning van de betreffende partner wordt verkocht. Voor deze situatie is nog niet geregeld dat een onbedoelde renteaftrekbeperking wordt voorkomen. Met de voorgestelde wijziging wordt dit alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2022 ingevoerd.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de hiervoor genoemde renteaftrekbeperking in bepaalde situaties ook zonder de voorgestelde wijziging is te voorkomen. Dat is bij gehuwden het geval wanneer de eigen woning niet per definitie in een huwelijksgemeenschap valt zoals bij een huwelijk onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting en bij samenwoners die geen samenlevingscontract hebben afgesloten. Het van toepassing zijnde huwelijksgoederenregime, dan wel de vermogensrechtelijke uitgangspunten bij samenwonen, kunnen al voldoende aanknopingspunten bieden om de beoogde onderlinge verhouding tussen de partners tot uitdrukking te laten komen. Dit geldt bijvoorbeeld met betrekking tot de verdeling van de totale schuld en de toerekening van verschillende leningdelen, zoals delen met een kortere looptijd door het overgaan van de aflossingseis van de schuld ter zake van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van de andere eigen woning.
Artikel I, onderdeel B (artikel 3.119f van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Om te voorkomen dat in geval van een gezamenlijke financiering van een nieuwe eigen woning de voorzetting van een aflossingsschema bij verhuizing leidt tot een niet-beoogde renteaftrekbeperking, wordt in het voorgestelde artikel 3.119f, tweede lid, Wet IB 2001 geregeld dat de aflossingseis met stand en looptijd van een fiscale partner (gedeeltelijk) overgaat van de schuld ter zake van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van die andere eigen woning als de aflossingseis bezien op gezamenlijk niveau is overgegaan. Dit wordt toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld.
Voorbeeld
Stel A heeft een eigen woning met een eigenwoningschuld van € 100.000 en een nog resterende looptijd van 200 maanden. A en B treden in het huwelijk waarop het sinds 2018 geldende huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Vervolgens kopen en financieren A en B gezamenlijk een nieuwe eigen woning van € 200.000 waarbij voor € 100.000 een aflostermijn van 200 maanden wordt gehanteerd en voor € 100.000 een aflostermijn van 360 maanden. De woning van A wordt later pas verkocht.
Zonder het voorgestelde artikel 3.119f, tweede lid, Wet IB 2001 zou de uitwerking als volgt zijn.
Hoewel bij het afsluiten van de nieuwe leningdelen rekening is gehouden met de gehele aflossingseis van A (€ 100.000 met aflostermijn van 200 maanden), komt onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht A en B elk 50% van de nieuwe leningdelen toe. Uitgangspunt bij de individuele benadering is dan dat A een lening van € 50.000 heeft met een termijn van 360 maanden en een lening van € 50.000 met een termijn van 200 maanden. De aflossingseis is dan voor € 50.000 niet overgegaan, waardoor de lening van € 50.000 met een aflostermijn van 360 maanden voor A niet kwalificeert als eigenwoningschuld. Over deze schuld is de rente niet aftrekbaar en de schuld gaat naar box 3.
Met toepassing van het voorgestelde artikel 3.119f, tweede lid, Wet IB 2001 wordt de uitwerking als volgt.
Op basis van het voorgestelde artikel 3.119f, tweede lid, Wet IB 2001 is het voldoende wanneer op gezamenlijk niveau (het totaal van de eigenwoningschuld van de partners) voor een bedrag van € 100.000 – het aandeel van A in de totale schuld – een termijn van 200 maanden geldt. De aflossingseis van A is dan overgegaan. Voor de toegepaste aflossingseis geldt dat A en B samen een schuld van € 100.000 met een termijn van 200 maanden hebben en een schuld van € 100.000 met een termijn van 360 maanden. Voor A geldt dat voor de schuld waarop de aflossingseis is overgegaan op grond van artikel 3.119f, eerste lid, Wet IB 2001 voor de vaststelling of wordt voldaan aan de aflossingseis de formule van artikel 3.119c Wet IB 2001 zodanig wordt gewijzigd dat een looptijd van 200 maanden wordt gehanteerd. Voor B geldt hetzelfde, maar dan op grond van het voorgestelde artikel 3.119f, tweede lid, Wet IB 2001.
Voor deze situatie is nog niet geregeld dat de hiervoor bedoelde renteaftrekbeperking wordt voorkomen. Met de voorgestelde wijziging wordt dit alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2022 ingevoerd.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99