Deze wet heeft tot doel om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen.
De wet regelt
(i) een verlaging van de vergoedingen ter tegemoetkoming in de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
(ii) een verlaging van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade, en
(iii) dat uitbetalingen die voortvloeien uit een beslissing op bezwaar of een uitspraak in een beroepsprocedure uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.
Voor de eerste twee maatregelen is in overgangsrecht voorzien, omdat het recht op een vergoeding al ontstaat op het moment dat de proceskosten worden gemaakt of de redelijke termijn wordt overschreden. Voor de derde maatregel is niet in overgangsrecht voorzien. Dat betekent dat alle uitbetalingen die vanaf 1 januari 2024 worden gedaan, aan de belanghebbenden moeten worden gedaan. Het niet voorzien in overgangsrecht op het punt van rechtstreeks uitbetalen maakt geen inbreuk op de rechten van belanghebbenden, maar versterkt juist hun informatiepositie.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99