Op 11 mei 2021 heeft de hypotheekadviseur van de consumenten (hierna: de adviseur) in een adviesgesprek over lijfrente de consumenten erop gewezen dat de vaste rente lager was dan de variabele rente die zij op dat moment betaalden. Diezelfde dag heeft de adviseur namens hen een rentewijzigingsverzoek bij de bank ingediend voor een 7-jaarsrente van 1,45% voor de aflossingsvrije leningdelen met nummer [nummer 1] (€ 208.738,90) en nummer [nummer 2] (€ 28.757,84).
Op 14 mei 2021 heeft de bank een offerte uitgebracht en aan de adviseur toegestuurd. In de offerte staat, voor zover van belang, dat voor het leningdeel met nummer [nummer 1] de rentevaste periode duurt tot 1 juni 2021. Bij het leningdeel met nummer [nummer 2] staat dat de rentevaste periode 7 jaar is tot 1 juni 2028. Zowel de adviseur als de consumenten hebben de offerte diezelfde dag nog gelezen en ondertekend waarna de getekende offerte aan de bank is geretourneerd.
Bij brief van 5 januari 2022 heeft de bank de consumenten geïnformeerd over een rentewijziging.
Bij brief van 2 augustus 2022 heeft de bank de consumenten geïnformeerd over een volgende rentewijziging.
Met een e-mailbericht van 15 augustus 2022 heeft een van de consumenten zich tot de adviseur gewend en aangegeven dat er iets is misgegaan met het vastzetten van de rente, een groot deel was namelijk nog steeds variabel.
Op 21 september 2022 heeft de adviseur zich namens de consumenten bij de bank beklaagd over het niet vastzetten van de rente voor leningdeel met nummer [nummer 1]. Hierna heeft de bank zich op het standpunt gesteld dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat de consumenten te laat hebben geklaagd. Omdat de consumenten zich hiermee niet konden verenigen heeft dit tot een klacht bij Kifid geleid.
Artikel 6:89 BW houdt in dat de consumenten op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kunnen doen, als zij niet binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden moeten ontdekken bij de bank ter zake hebben geprotesteerd. De vraag of binnen bekwame tijd is geklaagd, dient te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden.
Relevant zijn onder meer de waarneembaarheid van het gebrek, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de aanwezige juridische kennis en de behoefte aan voorafgaand deskundig advies, waarbij van gewicht is of de bank door het late tijdstip waarop het protest is gedaan in haar belangen is geschaad, zoals een benadeling in haar bewijspositie of een aantasting van haar mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het moment dat het gebrek in de prestatie is ontdekt of had moeten worden ontdekt en het indienen van de klacht is weliswaar een belangrijke factor, maar niet doorslaggevend.
Volgens vaste lijn van de Geschillencommissie van Kifid mag van een consument namelijk worden verwacht dat hij de aan hem verstrekte informatie en ter tekening voorgelegde stukken aandachtig doorleest en dat hij daarover zo nodig kritische vragen stelt. Dat aan de kant van de consumenten het vermeende gebrek eerder had moeten worden ontdekt geldt eens te meer omdat zij door een adviseur werden bijgestaan.
De commissie is van oordeel dat de consumenten te laat hebben geklaagd over het vermeende gebrek in het in mei 2021 tot stand gekomen rentecontract. De vordering wordt afgewezen.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99