???????
Publicatiedatum 29-05-2024, 15:07 | Laatste update 29-05-2024, 15:07
|
Een ouder (hierna: schenker) doet een schenking aan zijn drie kinderen (hierna: begiftigden). In de notariële schenkingsakte is onder meer bepaald dat de (eventueel) verschuldigde schenkbelasting ter zake van de schenking voor rekening van de schenker komt. Dit wordt ook wel aangeduid als een ‘schenking vrij van recht’.
Kan de verplichting van de schenker om de schenkbelasting voor zijn rekening te nemen bij de schenker in box 3 in aanmerking worden genomen?
Ja, de verplichting van de schenker vloeit voort uit de schenkingsovereenkomst en niet rechtstreeks uit de Successiewet 1956. De uitzondering van artikel 5.3, derde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is hierop niet van toepassing.
Belastingschulden mogen op grond van artikel 5.3, derde lid, onderdeel c, Wet IB 2001 niet worden meegenomen in box 3. In de onderdelen d en e worden hierop uitzonderingen gemaakt voor erfbelastingschulden en daarmee verband houdende verplichtingen.
De verplichting die de schenker op zich heeft genomen, vloeit voort uit de schenkingsovereenkomst, terwijl de schenkbelastingschuld die uit de Successiewet 1956 voortvloeit, op de begiftigden rust. Het zijn de begiftigden die de aanslag schenkbelasting krijgen opgelegd en zij zijn aansprakelijk voor het betalen ervan. De verplichting van de schenker is daarmee niet te beschouwen als een verplichting tot betaling van de belastingschuld van de begiftigden. Het bepaalde in artikel 5.3, derde lid, onderdeel c, Wet IB 2001 is dus niet op deze verplichting van de schenker van toepassing. Schenker kan deze verplichting rekenen tot de waarde van de schulden waardoor zijn rendementsgrondslag in box 3 lager wordt. Hierbij dient mogelijk rekening te worden gehouden met de schuldendrempel.
De verplichting van de schenker om de schenkbelasting voor zijn rekening te nemen, vormt daar tegenover voor de begiftigden een vordering (overige bezitting) in box 3.
NB: Op grond van artikel 5.4a Wet IB 2001 worden met ingang van 1 januari 2023 bepaalde vorderingen en schulden tussen fiscaal partners en tussen een ouder en zijn minderjarig kind gedefiscaliseerd. In die verhoudingen worden bij een schenking vrij van recht de vordering en de schuld niet in box 3 in aanmerking genomen.
___________________________________________________________________________________________________________________________
Publicatiedatum 29-05-2024, 15:16 | Laatste update 29-05-2024, 15:17
|
Belastingplichtige (de begiftigde) ontvangt in 2023 een schenking waarbij de schenker de schenkbelasting voor zijn rekening neemt. Dit wordt ook wel aangeduid als een ‘schenking vrij van recht’. Belastingplichtige geeft deze schenking in oktober 2023 aan middels een aangifte schenkbelasting. Op 1 januari 2024 is er nog geen (voorlopige) aanslag schenkbelasting opgelegd.
Hoe wordt in geval van een schenking vrij van recht de schenkbelasting in aanmerking genomen in box 3 wanneer op de peildatum nog geen aanslag schenkbelasting is opgelegd?
De schenker neemt het bedrag aan nog verschuldigde schenkbelasting in zijn aangifte inkomstenbelasting op als een schuld in de rendementsgrondslag van box 3. De begiftigde geeft de corresponderende vordering aan als overige bezitting in box 3. Daarnaast mag de begiftigde op grond van goedkeurend beleid de verschuldigde schenkbelasting in mindering brengen op zijn banktegoeden.
Bij een schenking vrij van recht is de verplichting voor de schenker om de schenkbelasting voor zijn rekening te nemen een schuld in box 3. De begiftigde heeft voor hetzelfde bedrag een vordering (aan te geven als overige bezitting) in box 3. Zie KG:202:2024:19.
Belastingschulden mogen op grond van artikel 5.3, derde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) niet worden meegenomen in box 3. In de onderdelen d en e worden hierop uitzonderingen gemaakt voor erfbelastingschulden en daarmee verband houdende verplichtingen. Schenkbelastingschulden worden niet als uitzondering genoemd en mogen daarom niet meegenomen worden in box 3.
Belastingplichtige kan de nadelige gevolgen van deze regel voor schenkbelastingschulden voorkomen door gelijk na de schenking aangifte schenkbelasting te doen en de daaropvolgende (voorlopige) aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen. In de praktijk is gebleken dat soms de aanslag langer op zich laat wachten waardoor de verschuldigde schenkbelasting niet voor de peildatum kan worden voldaan.
Dit heeft ertoe geleid dat de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 2.2 van het besluit van 7 mei 2024, Stcrt. 2024, 15868, heeft goedgekeurd dat de verschuldigde schenkbelasting op de peildatum in box 3 in mindering wordt gebracht op de banktegoeden. Hiervoor gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:
In geval van een schenking vrij van recht blijft de begiftigde aansprakelijk voor het betalen van schenkbelasting. De begiftigde is de belastingplichtige voor de Successiewet 1956 en krijgt de aanslag schenkbelasting opgelegd. De begiftigde kan daarom, als belastingplichtige voor de Wet IB 2001, een beroep doen op onderdeel 2.2 van het hiervoor aangehaalde besluit als de (voorlopige) aanslag schenkbelasting te lang op zich laat wachten.
NB: Op grond van artikel 5.4a Wet IB 2001 worden met ingang van 1 januari 2023 bepaalde vorderingen en schulden tussen fiscaal partners en tussen een ouder en zijn minderjarig kind gedefiscaliseerd. In die verhoudingen worden bij een schenking vrij van recht de vordering en de schuld niet in aanmerking genomen in box 3. De begiftigde behoudt wel de mogelijkheid om de verschuldigde schenkbelasting in mindering te brengen op zijn banktegoeden.
Fintool
Telefoon 085 - 111 89 99
Telefax 085 - 111 88 80
E-mail: info@fintool.nl
KvK 27256668