De inwerkingtreding van de WBH en dan met name het moment van mutatie is voor verhuurders een moment om na te denken in hoeverre zij hun bezit aan willen houden of willen verkopen (uitponden). De verwachting is dat huurders dit vooral in de eerste jaren na inwerkingtreding van de wet zullen overwegen. Naast de WBH baseren zij zich ook op andere factoren, zoals bijvoorbeeld rente- en kostenstijgingen, waardeontwikkeling, fiscale druk en persoonlijke overwegingen, zodat er ook woningen in het hoogsegment of met een huurprijs reeds onder de maximum huurprijs van het woningwaarderingsstelsel zullen worden uitgepond.
Ten aanzien van de fiscale druk is voor de beslissing van een verhuurder om al dan niet uit te ponden relevant dat de overdrachtsbelasting voor beleggers in woningen per 1 januari 2026 wordt verlaagd naar 8% en dat het kabinet streeft naar invoering van het toekomstig stelsel box 3 vanaf 2027, waarmee verhuurders alleen over het werkelijk rendement belasting gaan betalen.
De voorraad aan huurwoningen is als gevolg van uitponding, aankopen, transformatie en nieuwbouw telkens in beweging. Er zijn in totaal 540.000 huishoudens met een middeninkomen die huren. Ongeveer 140.000 middeninkomens hiervan willen doorstromen naar een koopwoning. Dit betekent dat er wordt gestuurd op een huurvoorraad tussen de 540.000 en 400.000 middenhuurwoningen.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99