De wijziging van het maximale aftrekpercentage vloeit voort uit de per 1 januari 2014 ingevoerde systematiek voor bepaalde grondslagverminderende posten. In eerste instantie ging dat alleen om de hypotheekrenteaftrek. Inmiddels vallen naast de hypotheekrenteaftrek onder de grondslagverminderende posten ook de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de terbeschikkingsstellingsvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek. De bedoeling van de systematiek van de genoemde grondslagverminderende posten was het tarief waartegen deze aangewezen posten mogen worden afgetrokken af te bouwen voor belastingplichtigen met een inkomen in de hoogste tariefschijf (in 2014 nog 52% in de toen nog vierde tariefschijf). Per 1 januari 2014 bedroeg de eerste afbouwstap 0,5%-punt. Ook voor volgende jaren werd de afbouw op 0,5%-punt per jaar vastgesteld. Het einddoel was een koppeling aan de (toen nog) derde tariefschijf (destijds 42%).
Vanaf 2016 is parallel aan de afbouw gewerkt aan een harmonisatie van het schijvensysteem, waarbij de (toen nog) derde schijf omlaag is gebracht en uiteindelijk is vervallen. Ook zijn de tarieven van de eerste en tweede schijf voor de meeste belastingplichtigen gelijkgetrokken (gezamenlijke basistarief). Het toptarief (de “nieuwe” derde schijf) is verlaagd naar 49,50%.
De afbouw van het aftrekpercentage van de genoemde grondslagverminderende posten werd vanaf 2021 versneld en bereikte per 1 januari 2023 het einddoel: het belastingpercentage dat van toepassing was voor inkomen dat wordt belast in de tweede schijf. In 2023 was dat het percentage dat samen met het maximale percentage van de premie volksverzekeringen ook van toepassing was in de eerste schijf (het gezamenlijke basistarief). Sindsdien beweegt het maximale aftrekpercentage, zoals voorzien bij de introductie, mee met het tarief in de tweede schijf. Iedere wijziging van het percentage in de tweede schijf heeft zo automatisch gevolgen voor het maximale aftrekpercentage.
Het is goed om hier nog een keer te benadrukken dat er geen sprake is van een losse maatregel waarmee het aftrektarief verhoogd wordt. Het hogere aftrekpercentage is een uitwerking van de bestaande systematiek zoals hierboven beschreven.
Daarbij hecht het kabinet eraan te benadrukken dat belastingplichtigen met een eigen woning en een hypotheek van wie het fiscaal relevante inkomen uitsluitend in de eerste schijf valt weliswaar minder fiscaal voordeel hebben van de hypotheekrenteaftrek maar ook minder inkomstenbelasting betalen door het vanaf 2025 verlaagde tarief in de eerste schijf. Per saldo is een lager belastingtarief gunstiger, ook als dit betekent dat het voordeel van een aftrekpost minder groot wordt. Het tarief in de tweede schijf gaat vanaf 2025 juist omhoog, dus tegenover het hogere tarief waartegen de hypotheekrente mag worden afgetrokken, staat een belastingverhoging voor zover hun belastbaar inkomen in de tweede schijf valt. Een hoger belastingtarief is per saldo ongunstig, ook als daardoor het voordeel van aftrekposten toeneemt. Ten slotte profiteren hogere inkomens van (onder andere) de verlaging van het tarief in de eerste schijf, waardoor zij er per saldo ook op vooruit gaan.
Met het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan maakt Nederland aanspraak op in totaal € 5,4 miljard uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF). Om aanspraak te maken op dit geld, dient Nederland een aantal mijlpalen en doelstellingen te behalen. Welke mijlpalen en doelstellingen dat zijn, is vastgelegd in de juridische bindende afspraken in het raaduitvoeringsbesluit. De afbouw van de hypotheekrenteaftrek is geen onderdeel van het raadsuitvoeringsbesluit. Dat betekent dat aanpassingen in de hypotheekrentaftrek geen invloed hebben op de betalingen uit de HVF.1
Bron: Rijksoverheid
1) In een artikel van ESB werd dit punt aangekaart.
https://esb.nu/kabinet-schoof-verhoogt-de-hypotheekrenteaftrek-voor-hogere-inkomens/
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99