Eiser heeft vanaf 2006 deelgenomen aan een levensloopregeling. De levensloopaanspraak bedraagt op 1 november 2021 € 21.262. De levensloopaanspraak is op 28 maart 2022 uitbetaald.
Met ingang van 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Voor bestaande deelnemers gold tot 1 januari 2022 een overgangsregeling. Ingevolge dit overgangsrecht konden bestaande deelnemers bestedingsvrij over het levenslooptegoed beschikken. Voor 2013 en 2015 is het overgangsrecht gewijzigd in die zin dat bestaande deelnemers het tegoed naar keuze in 2013 of 2015 konden afkopen en vrij besteden, waarbij 80% van de waarde van het tegoed per 31 december 2011 zou worden belast.
Artikel 39d, vierde lid van de op de loonbelasting 1964 (Wet LB) luidt, voor zover hier van belang als volgt:
“Ingeval de waarde in het economische verkeer van de [levensloop]aanspraak, (…), niet vóór 1 november 2021 (…) als loon in aanmerking is genomen, wordt de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bij de aanvang van die dag, zonder toepassing van de standaardloonheffingskorting, als loon uit tegenwoordige arbeid van de werknemer of gewezen werknemer in aanmerking genomen (…).”
In het artikellid wordt uitgegaan van een fictief genietingsmoment op 1 november 2021. Dat uitbetaling pas in het jaar 2022 heeft plaatsgevonden is dan ook niet van belang.
Belastingplichtige heeft erop gewezen dat de heffing in 2021 nadelig uitpakt doordat de aanspraak tegen een hoger tarief belast wordt dan het voordeel dat hij bij opbouw van de aanspraak heeft genoten. De wijze waarop het tegoed in de heffing wordt betrokken, is wettelijk geregeld. Het staat de belastinginspecteur en de rechtbank niet vrij om daarvan af te wijken. De belastinginspecteur heeft op dit punt geen beleidsvrijheid. Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.
Bron: Rechtspraak.nl
Andere uitspraak, invloed op zorgtoeslag
Het feit dat eiseres geconfronteerd is met een verplichte uitkering van het levenslooptegoed in 2021 met als gevolg dat het toetsingsinkomen werd verhoogd acht de rechtbank evenmin een bijzondere omstandigheid. De rechtbank heeft er begrip voor dat de samenloop van de verplichte uitbetaling van het levenslooptegoed en de gevolgen daarvan voor het recht op huurtoeslag en zorgtoeslag 2021 door eiseres wordt ervaren als het verplicht interen op het levenslooptegoed waar zij zelf voor heeft gespaard. De levensloopregeling is echter reeds per 2012 afgeschaft en voor eiseres was voorzienbaar dat het overgangsrecht per 1 januari 2022 zou eindigen. Eiseres had daarmee voldoende gelegenheid om maatregelen te nemen om de gevolgen daarvan voor haar recht op toeslagen te beperken, bijvoorbeeld om het opgebouwde levenslooptegoed vóór het fictieve genietingsmoment (al dan niet in delen) uit te laten keren.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99