Het Hof is van oordeel dat het gelijk aan belanghebbende is en motiveert dit als volgt.
Belanghebbende heeft gelijk dat artikel 14, lid 2, Wbr geen tijdsbepaling bevat. De voorwaarde luidt dat de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, maar hieraan is geen termijn verbonden. De wetgever heeft bovendien rekening gehouden met de
situatie dat een koper een woning niet direct na de verkrijging als hoofdverblijf gaat gebruiken. De Inspecteur erkent dit in wezen ook. Hoewel hij voorop stelt dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is zodat op het moment van verkrijging moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden wordt voldaan, heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard dat hij in de praktijk toch een bepaalde periode accepteert voordat het daadwerkelijke hoofdverblijf aanvangt, zonder precies te kunnen aangeven hoelang deze periode hoort te zijn.
Dat het begrip “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” gelijk dient te worden uitgelegd als het begrip “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan” maakt het voorgaande niet anders, omdat laatstbedoeld begrip in de memorie van toelichting wordt gedefinieerd als “een voor duurzaam eigen
gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien.” Deze definitie bevat geen tijdsbepaling, de wetgever heeft voor de toepassing van het verlaagde tarief in de overdrachtsbelasting rekening gehouden met de situatie dat een koper een woning niet direct als hoofdverblijf gaat gebruiken en het Hof twijfelt er, gelet op de toelichting van belanghebbende, niet aan dat de woning was bestemd om haar duurzaam tot hoofdverblijf te dienen. De overige voorwaarden die rond het begrip “eigen woning” zijn geformuleerd in de Wet IB, zijn niet overgenomen in de Wbr en kunnen niet aan belanghebbende worden tegengeworpen.
Dat de staatssecretaris van Financiën in een aantal beleidsbesluiten wel voorwaarden stelt aan de termijn waarbinnen de belastingplichtige in zijn woning moet gaan wonen, is niet van belang. Voor zover deze besluiten de wettelijke reikwijdte van het verlaagde tarief beperken, zijn zij genomen buiten de bevoegdheid die aan de staatssecretaris toekomt. In de Wbr is geen bepaling opgenomen die een grondslag biedt voor het stellen van nadere regels aan het verlaagde tarief, met uitzondering van de inhoud en de wijze van aanleveren van de schriftelijke verklaring.
De huiseigenaar wordt in het gelijk gesteld en verkrijgt (alsnog) het verlaagde tarief.
Bron :Rechtspraak.nl
Fintool: Het is knap uitgespeeld door de huiseigenaar. Of het in de praktijk vaak voorkomt is de vraag. Dat het niet zonder risico is mag duidelijk zijn. #Huurbescherming #Life event verkoper, waarna men niet meer wil/ kan verhuizen #Geen renteaftrek tijdens verhuur #Tijdig bezwaar maken aanslag overdrachtsbelasting #Opstalverzekering en (tijdelijke) verhuur #Instemming geldverstrekker vanwege verhuur? #Rechtsgang nodig, want ten tijde van beslissing bezwaarschrift liggen feiten (nog) anders?
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99