Op basis van artikel 18a, tiende lid, en artikel 38r, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan het verschil tussen de voor een jaar geldende fiscaal maximale premieruimte voor pensioen en de in dat jaar benutte premieruimte in een later jaar alsnog in aanmerking worden genomen. De in een jaar niet benutte fiscale premieruimte voor pensioen wordt hierna 'inhaalruimte' genoemd.
Moet de inhaalruimte voor pensioen chronologisch aangewend worden?
Nee, het is niet van belang welke inhaalruimte als eerste wordt benut. Voor het benutten van de inhaalruimte geldt geen maximale termijn, zoals bijvoorbeeld wel van toepassing bij de reserveringsruimte van lijfrenten (artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001). Uiteraard moet de inhaalruimte wel aangetoond kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een berekening van de jaarlijkse inhaalruimte.
Inhaalruimte bestaat alleen uit niet benutte fiscale premieruimte voor het ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum.
Ter verduidelijking is hierna een cijfervoorbeeld opgenomen over de inhaalruimte.
Werkgever A heeft een pensioenregeling voor zijn werknemers.
Gegevens:
Jaar | Pensioengrondslag |
t | € 50.000 |
t+1 | € 55.000 |
t+2 | € 60.000 |
Werknemer B heeft de volgende inhaalruimte:
Jaar | Inhaalruimte | Berekening inhaalruimte |
t | € 5.000 | = (30% -/- 20%) x € 50.000 |
t+1 | € 5.500 | = (30% -/- 20%) x € 55.000 |
t+2 | € 7.200 | = (32% -/- 20%) x € 60.000 |
Totaal | € 17.700 |
Werknemer B heeft een inhaalruimte van in totaal € 17.700.
Deze inhaalruimte wordt in jaar t+3 voor € 8.000 benut.
Na de inhaal in jaar t+3 resteert een inhaalruimte over de jaren t tot en met t+2 van € 9.700. Omdat de premieruimte uit voorgaande jaren niet verjaart, kan in latere jaren de resterende inhaalruimte alsnog worden benut.
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99