De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft de vraag beantwoord of een geslaagd verzoek als bedoeld in onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen - waardoor geen sprake is van toeslagpartnerschap - doorwerkt naar het fiscaal partnerschap in de inkomstenbelasting.
De belastingplichtige (ouder dan 27 jaar) woont in 2024 samen met zijn minderjarig kind en zijn hulpbehoevende ouder. Ze staan alle drie op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) ingeschreven. De belastingplichtige en de hulpbehoevende ouder zijn daarmee fiscale partners voor de inkomstenbelasting en in beginsel ook toeslagpartners. De belastingplichtige verleent mantelzorg aan zijn hulpbehoevende ouder. De belastingplichtige doet een beroep op de goedkeuring uit onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen (Stcrt. 2024, 34466), waardoor geen sprake is van toeslagpartnerschap. De belastingplichtige wil ook voor de inkomstenbelasting niet als fiscale partners worden aangemerkt.
Werkt een geslaagd verzoek als bedoeld in onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen - waardoor geen sprake is van toeslagpartnerschap - door naar het fiscaal partnerschap voor de inkomstenbelasting?
Nee. Het verzoek als bedoeld in onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen geldt enkel voor toeslagen. Voor de inkomstenbelasting geldt geen soortgelijke goedkeuring.
Fiscaal partnerschap is geregeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Voor de inkomstenbelasting is een aanvullende regeling opgenomen in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
Volgens artikel 5a AWR is sprake van fiscaal partnerschap als:
De belastingplichtige en de hulpbehoevende ouder zijn niet met elkaar gehuwd of een notarieel samenlevingscontract aangegaan. Er is dus geen sprake van fiscaal partnerschap op grond van artikel 5a AWR.
Artikel 1.2 Wet IB 2001 bevat een aanvullende regeling voor fiscaal partnerschap. Dit artikel definieert het fiscaal partnerschap voor de Wet IB 2001.
Het eerste lid van artikel 1.2 Wet IB 2001 bevat zes onderdelen op grond waarvan ook sprake is van fiscaal partnerschap. Volgens artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001, wordt onder partner mede verstaan:
De belastingplichtige kan echter een verzoek indienen om niet als partner te worden aangemerkt. In dit verzoek moet de belastingplichtige middels een schriftelijke huurovereenkomst doen blijken dat:
In casu staan de belastingplichtige, een minderjarig kind en de hulpbehoevende ouder allen ingeschreven op hetzelfde woonadres in de BRP en is geen sprake van zakelijke huur. De belastingplichtige en de hulpbehoevende ouder zijn daarom fiscale partners op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001.
Artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) is bijna gelijkluidend aan artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001. De belastingplichtige en de hulpbehoevende ouder zijn daardoor in beginsel ook toeslagpartners.
De Staatssecretaris van Financiën heeft echter in onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen goedgekeurd dat op verzoek van de belastingplichtige geen toeslagpartnerschap ontstaat, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De belastingplichtige heeft in deze casus een geslaagd beroep gedaan op deze goedkeuring, waardoor geen sprake is van toeslagpartnerschap.
Tot en met 31 december 2024 bepaalde artikel 3, tiende lid, Awir, dat de belastingplichtigen die in bepaalde situaties een verzoek hadden ingediend om niet als toeslagpartners te worden aangemerkt, ook geen fiscale partners van elkaar waren voor de inkomstenbelasting. Dit gold onder andere voor het verzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, Awir. Dat verzoek ziet op de situatie dat uit een schriftelijke huurovereenkomst blijkt dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander of dat beiden op zakelijke gronden een eigen gedeelte van de woning huren van een derde.
Hoewel voor een beroep op onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen ook een verzoek moet worden ingediend en het – net als het verzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, Awir – om een uitzondering op het toeslagpartnerbegrip gaat, zag artikel 3, tiende lid, Awir, zoals dat tot en met 31 december 2024 luidde, niet op onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit Toeslagen. Het verzoek om niet als toeslagpartner te worden aangemerkt in verband met de mantelzorgsituatie, werkte dus niet automatisch door naar het fiscaal partnerschap in de inkomstenbelasting.
De inkomstenbelasting kent geen met het Verzamelbesluit Toeslagen vergelijkbare uitzondering op het fiscaal partnerschap voor mantelzorg.
In december 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën door het toepassen van de hardheidsclausule ten aanzien van de toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting in een mantelzorgsituatie nogmaals bevestigd dat er fiscaal partnerschap kan ontstaan bij mantelzorg (mededeling van 6 december 2022, nr. 2022-279062). Dit betrof een situatie waarin door het verlenen van mantelzorg fiscaal partnerschap is ontstaan. Door de inkomensverdeling tussen beide fiscale partners kon geen inkomensafhankelijke combinatiekorting worden toegepast. De toegekende hardheidsclausule zag uitsluitend op de toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en vormde geen (algemene) uitzondering op het fiscaal partnerschap in mantelzorgsituaties.
NB: Vanaf 1 januari 2025 is het voor het recht op toeslagen niet meer nodig om in een situatie als deze een beroep te doen op het Verzamelbesluit Toeslagen. Met ingang van 1 januari 2025 bepaalt artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, Awir, dat ouders en kinderen geen toeslagpartners van elkaar zijn (ook niet wanneer het kind 27 jaar of ouder is). |
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99