Omdat er slechts twee peildata zijn, 1 januari en 31 december, weerspiegelt de gemiddelde rendementsgrondslag niet altijd het daadwerkelijke gemiddelde vermogen (bezittingen minus schulden) van een persoon in een bepaald kalenderjaar. Dit kan tot onevenwichtige uitkomsten leiden. Een voorbeeld daarvan is onderstaande zaak, die voorkwam bij de Rechtbank te Arnhem.
Op 16 december 2003 ontvangt een man een bedrag van ruim € 200.000 uit de erfenis van zijn moeder. De man neemt dit bedrag niet op in zijn aangifte voor box 3 op de peildatum van 31 december 2003, omdat hij het onredelijk acht gezien het feit dat hij het bedrag van de erfenis slechts twee weken tot zijn beschikking heeft gehad. De Rechtbank oordeelde echter dat de tekst van de inkomstenbelastingwet voorschrijft, dat al hetgeen aan bezittingen aanwezig op de peildatum moet worden meegenomen in de berekening van de gemiddelde rendementsgrondslag.
De Rechtbank geeft daarbij toe dat de rendementsheffing onredelijk uitwerkt in dit geval nu de man slechts een halve maand de beschikking heeft gehad over de erfenis van zijn moeder, terwijl dit bedrag wel volledig meetelt in de gemiddelde rendementsgrondslag. Dit is echter niet voldoende om de man in het gelijk te stellen. De wettekst is duidelijk en laat geen ruimte voor een andere uitleg. Daarnaast heeft de wetgever onderkend dat het een ruwe bepaling is en heeft dat bewust geaccepteerd. Het is niet aan de Rechtbank om te oordelen over de redelijkheidwaarde van een wet.
Bron: Rechtbank Arnhem, 06-03-2006, LJN nr. AW2422 6 (datum publicatie: 19-04-2006).
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99