De huurwoning wordt volgens belanghebbende slechts gebruikt als ‘werkwoning’, gezien het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote beiden in de regio van de huurwoning werkzaam zijn.
De Inspecteur beschouwt de koopwoning niet als “eigen woning” in de zin van art. 3.111 IB 2001.
Het Hof oordeelt – in tegenstelling tot de Rechtbank – dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de koopwoning als hoofdverblijf kan worden aangemerkt. Doorslaggevend is dat de koopwoning het middelpunt van de persoonlijke belangen van belanghebbende is.
Op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan mag de koopwoning niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
Tot de gedingstukken behoort enkele tientallen schriftelijke verklaringen waarin familie, vrienden, kennissen en buren van belanghebbende, uit zowel [B] als [Z] , verklaren dat het hen bekend is dat belanghebbende en zijn echtgenote alle weekenden, vrije dagen en feestdagen doorbrengen in de koopwoning. Tevens wordt in een aantal verklaringen vermeld dat het hen bekend is dat belanghebbende en zijn echtgenote in de koopwoning hun visite en logees ontvangen en dat zij alleen voor hun werkzaamheden verblijven in de huurwoning. In een aantal verklaringen staat dat hetgeen wordt verklaard, ook geldt voor het jaar 2014.
Gelet op het vorenoverwogene is de koopwoning de centrale levensplaats en daarmee het hoofdverblijf van belanghebbende. Dit betekent dat de koopwoning als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet dient te worden aangemerkt.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99